Written By Peter van der Naald. On Apr 02. In Opvoeding,School
Asperger of asperges.
Ik ben Dik. Niet dik als in dat ik een dik kind ben, maar ik ben zo genoemd door mijn ouders. Gewoon Dik. Dus niet Dikkie (I hate dat) en ook niet Dikkertje Dap (een wel heel erg stom rijmpje voor ouwe mensen).
Ik ben 8 en woon ik Groningen. Niet in een stad maar ergens in een dorp. In ons dorp wonen nog 7 kinderen die ongeveer even oud zijn als mij. Drie zijn precies even oud (nou ja, een paar maanden jonger, dan) en twee zijn een jaar ouder. En dan is er nog één van twee jaar ouder. Dat is Hendrik en die denkt altijd dat hij de baas moet spelen over ons als we samen spelen in het dorp. En hij is eigenlijk gewoon dom.
Ik heb Asperger syndroom. Zo noemen mijn ouders het en zo zegt die dokter in het ziekenhuis het ook. Graag geen flauwe grapjes over die lange, slappe, witte groente. Die grappen heb ik al genoeg gehoord. Die groente smaakt vies en de grapjes zijn niet leuk. En bovendien snap ik die niet. Iedereen kan toch het verschil zien tussen een groente en mij?
Anders zijn.
Asperger is niet zomaar een woord. Het is genoemd naar een kinderarts uit Wenen. Die man heette écht Asperger. Dát vind ik nu een échte grap.
Ik weet dat ik Asperger heb. Dat is niet zo moeilijk. Je hebt het of je hebt het niet. Iedereen is anders.
Ik weet dat ik vaak grapjes niet snap of ik vind grapjes niet leuk.
Ik kan er niet tegen als andere kinderen de baas spelen en denk soms dat andere kinderen (en soms ook volwassenen) maar stom zijn. Maar dat mag ik van mijn moeder niet zeggen, vooral niet over volwassenen.
Als ik om me heen kijk, dan zie ik dat mijn grote zus niet is zoals ik ben. Ze zit op trompet spelen en op gymnastiek. Dat is niks voor mij want koppeltje duiken kan ik toch niet. En trompet spelen kan ik wel alleen. Thuis op mijn kamer.
Mijn kleine broertje speelt met auto’s en tractoren. Ik niet. Ik speel met mijn dinosaurussen en de kubus van Rubik. En ik kan heel goed onthouden en rekenen.
Als ik naar mijn moeder kijk, vind ik haar maar ‘gewoon’. Maar af en toe is ze opvliegend en kwaad. Vooral als ik niet doe wat ze zegt of als ik niet reageer op iets wat ze van me vraagt.
Dan ga ik in mijn kamer achter de computer zitten. En speel spelletjes. Ik heb namelijk mijn eigen pc. Op mijn eigen kamer. En die computer kan niemand in komen want ik heb er een wachtwoord in gezet.
Mijn vader is ook een beetje vreemd. Hij is niet zo vaak thuis. Hij is wiskundige en computerfreak. Er komen weinig vriendjes bij ons. Alleen vriendinnen van mijn oudste zus.
Andere sommen.
Op school reken ik moeilijke sommen uit. Ik zit in groep 6 maar ik heb een rekenboek uit groep 8. Dat is niet zo moeilijk. En ik mag vaak mijn eigen sommen opzoeken op het internet. Of samen met de meester.
Waar ik een hekel aan heb op school, is die gymnastiekles. Dan zitten ze aan je met tikkertje. Of de meester pakt je vast als je probeert over een kastdeel te duikelen. Wat stom! Waar heb je dát nou voor nodig!
Eigenlijk wil ik dat ze niet aan me komen. Ook dat duwen als we naar binnen gaan op school, vind ik vreselijk. Daarom kom ik altijd als laatste en alleen.
Wat ik erg moeilijk vind is dat mijn moeder zegt dat ik de meesters en juffen aan moet proberen te kijken als ze tegen me praten. Moeilijk hoor! Ik hoor toch wel wat ze zeggen. Met mijn oren en niet met mijn ogen!
Andere kinderen.
Als we op het plein spelen, speel ik vaak met mijn broertje. En de kinderen uit zijn groep. Ik heb een hekel aan wilde spelletjes en tikkertje en zo. Eigenlijk wil ik alleen gelaten worden. Soms doe ik mee met voetballen op het grasveld. Maar meestal stop ik daarmee. Als ze me schoppen of de bal proberen af te pakken, dan word ik vaak boos. Laat me nu eens gewoon door voetballen!
Laatst heb ik maar eens terug geschopt toen Niels mij weer de bal afpakte. Ik heb hem eerst tegen de grond gemikt met een schop tegen de kont. En toen hij toch al lag, nog een schop gegeven. Daar was de meester weer heel boos over. Want dat deed je niet, zei hij!
Wat ik heel vervelend vind, is dat sommige kinderen in de groep zo stinken. Ze denken dan dat ze lekker ruiken naar zeep of die meiden ruiken naar parfum. Maar ik vind dat ze stinken. En dan kan ik gewoon mijn werk op school niet goed doen. Dan kan ik niks onthouden. Terwijl ik dat eigenlijk heel goed kan.
Als ik thuis weer achter mijn computer zit, heb ik rust in mijn hoofd. Ik gebruik bij mijn computer nooit zo ’n stomme muis. Omdat ik alle knoppencombinaties wel uit mijn hoofd ken.
Van Controls C weet toch iedereen wel dat dit kopiëren is en Control V weer plakken. Maar zou ook iedereen weten dat Control X knippen is? Makkelijk: de v is van Velpon en de x is een schaar. Maar ik kan het ook wel zonder die ezelsbruggetjes. Ik zie trouwens nooit ezels bij ons in het dorp. Wel paarden en schapen. En er is helemaal geen brug in ons dorp!
Autisten.
Ik mag het nooit zeggen van mijn ouders, maar gelukkig ben ik slim. Bovenmatig intelligent zegt mijn vader dan. Net als hij is, zegt ie er dan bij.
Daardoor weet ik dat ik Asperger heb en een autist genoemd wordt. Daardoor kan ik er mee leren om te gaan. Best moeilijk, maar als ze me maar met rust laten, lukt het me wel om zo gewoon mogelijk te doen. Maar noem me gaan autist. Autisten zijn mensen die in een hoekje zitten en nooit eens iets zeggen. Die niks willen. Als je dát tegen me zegt, word ik echt kwaad. Dan mep ik er op. En hard!
Asperger.
Ik heb alleen maar Asperger. En dat is al moeilijk genoeg. Want ik voel me gewoon, gewoon. Ik ben gewoon Dik. Ik ben gewoon een kind van acht uit een Gronings dorp. En er is niks mis met mij. Nou ja, behalve dan dat ik Asperger heb. Zou die dokter dat zélf ook gehad hebben?












Wat een goed geschreven stuk zeg. Dat doe ik je niet na. Je vader heeft groot gelijk je bovenmatig intelligent te noemen, want dat ben je zeker.
joost snapt het niet helemaal?
Of snapt hij het wel maar denkt hij gevat uit de hoek te moeten komen?
Snap ik Joost niet?
Wie mag het weten?