Faxie is verdwaald.
Faxie is verdwaald.
Fixie en Faxie zijn niet thuis. Het huis is leeg. Het is mooi weer en Fixie en Faxie zijn met de baas op vakantie. Ze wonen nu in een ander huis. Ergens in een ander land. Ver weg. Heel ver weg. Een hele dag rijden met de auto. Dat is erg lang. Onderweg moeten ze wel twee of drie keer stoppen. Om te plassen en een beetje water te drinken. De baas wil ook nog een beetje eten en koffie drinken.
Fixie en Faxie zijn moe als ze ‘s avonds bij het andere huis komen.
Het is al bijna donker als ze er komen. En Fixie heeft dorst. Veel dorst. Faxie wil alleen maar een stukje lopen in de buurt.
Faxie snuift en ruikt. Hij ruikt een konijn. Zoals hij ook wel eens heeft geroken bij de zee.
In de duinen.
In het bos bij het vakantiehuisje.
Dan brengt de baas de mand van Fixie en Faxie, de hondenspullen en de eigen spullen van de baas naar binnen.
Daarna gaan ze eerst een stukje wandelen. Fixie vindt het niet zo leuk want hij is moe en heeft honger. Faxie vindt het wel leuk en rent voor de baas uit naar een bosje op een heuvel.
Het is al bijna helemaal donker als de baas even op een bankje gaat zitten. Fixie gaat naast het bankje liggen. Faxie rent nog een keer door het bosje en ruikt weer de konijntjes.
Een konijnenhol.
Woef, waf, waf blaft hij en snuift bij een hol. Een holletje in de grond. Een mooi rond gat. Hij krabt met zijn voorpoten en wil het hol open maken. De baas roept hem. En Faxie rent terug naar de bank. Fixie slaapt. Naast de bank in het zand. De baas bijna ook. Zijn hoofd gaat op e neer naar voren en dan weer terug. Zijn ogen zijn dicht.
Faxie rent weer naar het bos. Daar ziet hij het konijn…. Faxie rent er achter aan. Het konijn kon heel snel rennen. Maar Faxie ook.
Het konijn rent weg over een weiland en door een ander bosje. Faxie ook. Faxie blaft naar het konijn. Het klinkt heel hard in het donker op het weiland.
Het konijn springt over een sloot. Een hele grote sprong. Maar Faxie is niet bang en ………… springt ook.
Faxie rent nog steeds achter het konijn. Dan wordt hij moe. Wat kan dat konijn hard en lang rennen, zeg!
Het konijn springt weer over een sloot. Een heel brede sloot. En Faxie? Faxie is zo moe dat hij er niet meer overheen kan springen. Hij stopt.
Waar is de baas?
Dan maar terug naar de baas.. maar waar zijn Fixie en de baas? Van welke kant is het konijn gekomen? Nu is hij de weg kwijt. Hij is verdwaald. Faxie blaft en luistert. Maar hij hoort niets. Helemaal niets. Geen blaf van zijn vriendje Fixie.
Hij huilt heel hoog zoals honden dat doen. Hoei, hoei, hoei…..
Dan hoort hij een fluitje. Het fluitje van de baas. De baas zoekt Faxie. Gelukkig maar! Faxie blaft weer. En gelukkig nu hoort hij het fluitje weer en hoort hij ook Fixie terug blaffen… gelukkig.
Hij luistert nog een keer heel goed en begint dan weer te rennen. Nu weet hij precies waar hij langs moet. Honden hebben goede oren en heel goed horen.
Hij rent langs het paadje en over het weiland. Weer hoort hij Fixie blaffen en de baas fluiten. Faxie rent door het bosje en plotseling staat hij bij de baas. Bij het bankje en gelukkig ook bij zijn vriendje Fixie.
De baas bromt.
De baas keek ongerust en bromt een beetje boos. Dat Faxie niet zomaar weg had mogen rennen. En al helemaal niet achter konijnen aan.
Samen lopen ze weer terug naar het huisje. Het zomerhuisje voor de vakantie.
Morgen gaan Fixie en Faxie vast weer naar het bosje lopen en kijken of ze dingen zouden ruiken.
Maar voor vandaag was het mooi geweest en Faxie is nu ook wel beetje moe.
Als ze allebei in het zomerhuisje in hun mand liggen komt de baas de kamer weer in. Met voor allebei een lekker stukje worst.
Dan dromen ze van vakantie, konijnen en lekker draven over weilanden.
