Tom breekt zijn pols.

Tom breekt zijn pols.

Deze week begint Tom met iets nieuws. Kees en Tom zijn allebei ‘op voetballen’ gegaan.
De vader van Kees voetbalt ook. Kees gaat vaak op zaterdagmiddag met zijn vader mee naar het voetbalveld en speelt daar. Tom mag ook mee.
En nu? Nu kunnen ze zelf voetballen. Woensdagmiddag heef Tom met zijn moeder echte voetbalspullen gekocht. Van die mooie gekleurde voetbalkleren. Een geel shirt met een zwarte streep er op en een zwarte korte broek.
En een nieuw trainingspak om op woensdagmiddag te trainen op het rode veld naast het grote voetbalveld.
En schoenen. Mooie glimmende gele schoenen met zo ’n schuin lapje over de veters heen.
En Kees heeft ook van die gekleurde schoenen. Maar dan rood.

Nu is het zaterdagmorgen en mogen ze allebei voor het eerst meedoen. Kees wil op het veld spelen en Tom wil wel in de goal staan, als keeper. Maar dan kan eigenlijk niet omdat keepers een andere kleur trui aan hebben. Maar gelukkig heeft de trainer een groene trui die Tom wel ongeveer past. Nou ja, de trui is eigenlijk een beetje te groot voor Tom.


Tom is keeper.
Dan begint de wedstrijd. De andere jongens in zijn elftal zitten bijna allemaal bij Tom op school. De meesten zitten een groep hoger. Twee jongens zitten op de andere school in het dorp. En bijna alle jongens zijn een stuk groter dan Tom. Sommigen wel een hele kop groter….
Tom is eigenlijk de kleinste van het elftal. En toch mag hij op goal staan.
De tegenpartij heeft ook al van die grote jongens. Hele grote jongens. Ze wonen allemaal in een dorp verderop en zijn met hun vaders en moeders in de auto gekomen. Wat Tom wel mooi vindt zijn de rode shirtjes en rode sokken bij de witte broek.

Dan begint de wedstrijd. Tom vindt het leuk om in de goal te staan. Als een van die jongens op hem afkomt met de bal, duikt hij er voor en pakt de bal in zijn handen. De jongen met het rode shirt stopt precies op tijd. Tom heeft de bal en schopt hem naar Johan die met zijn handen staat te zwaaien dat hij de bal wel wil hebben.

Een voorsprong.
Johan speelt de bal precies op tijd naar Erwin. En Erwin rent er mee naar de andere kant. Erwin maakt een beweging en rent om één van die andere jongens heen. Dan speelt hij de bal naar Kees. Kees rent om een van die andere jongens heen en schopt de bal terug naar Erwin die ook meegelopen is.
En nu gaat Erwin recht op het doel af. Hij schiet snoeihard en de bal verdwijnt zomaar achter de andere keeper in de goal. Een doelpunt! Ze staan voor!


De tegenpartij trapt weer uit en soms hoort Tom dat die jongens flink op elkaar schelden. Kees pakt de bal af en speelt naar Johan. Maar Johan is te laat en verspeelt de bal weer. De tegenpartij speelt snel naar voren. Ze komen weer dicht bij de goal van Tom en weer duikt Tom voor de bal en houdt hij de bal stevig vast. Eén van die jongens trapt nog eens flink naar de bal, maar Tom laat niet los. De scheidsrechter zegt tegen de tegenstander dat hij niet mag doorlopen op de keeper. Het voelt niet lekker als Tom de bal weer uittrapt. Zo gaat het spel op een neer.

Ouders die roepen.
Soms hoort Tom de vaders en moeders langs de kant roepen. Zijn moeder roept dat hij goed moet blijven opletten en vraagt of hij het leuk vindt.
Andere vaders en moeders roepen aanwijzingen alsof ze de trainers zijn. Hij hoort woorden roepen als ‘scherper dekken’, ‘maak een actie’, ‘schieten’ en allerlei andere voetbalwoorden.

Dan komt die grote jongen die bij de tegenpartij voorin staat, met de bal op Tom af. Tom rent naar voren en gooit zichzelf voor de bal. Hij heeft de bal goed vast met zijn handen. Klemvast, zoals voetballers dat noemen.
Tegelijkertijd hoort Tom een vader langs de kant iets roepen: doortrappen! En de jongen schopt nog een keer tegen de bal die Tom al lang vast heeft. En nog eens!

Een gemene trap.
En dan hoort Tom een misselijkmakende knak. Een geluid alsof een tak breekt. En tegelijkertijd voelt hij e pijn aan zijn arm. Zijn hand hangt er vreemd bij.
Als hij kijkt, ziet hij de trainer al het veld op komen. En de scheidsrechter is kwaad op de vader die langs de kant stond te roepen. En hij is boos op de jongen die doortrapte.
De scheids stuurt de vader weg bij het veld. De jongen die niet op tijd stopte moet ook van het veld af.

En Tom? Die staat verbaasd naar zijn pols te kijken. Zijn hand hangt er raar bij.
Die is kapot, zegt de scheidsrechter. Dat denk ik ook, zegt de trainer. En dat nog wel in zijn eerste wedstrijd.
Ondertussen ziet Tom zijn moeder het veld op komen rennen. Ze huilt en vraagt aan Tom of het pijn doet. Maar Tom is eigenlijk meer verbaasd dat zijn pols kapot is. Hoe moet dit nu verder?

Naar het ziekenhuis.
Tom moet naar het ziekenhuis om zijn pols te laten bekijken.
‘Maar wij hebben geen auto’, zegt zijn moeder. ‘Ik ben, net als Tom, op de fiets naar het voetbalveld gekomen. Hoe moet dit nu?’
Dan komt één van de andere vaders naar voren. Het is de vader van Erwin.
Ik rij jullie wel naar het ziekenhuis. Kom maar mee.

Als Tom in het ziekenhuis komt, zien ze het al direct: een gebroken pols. Tom schrikt. Gebroken? Hoe kan dat nu? En wat gaat er nu gebeuren?

Ze maken foto’s. En even later kijkt Tom kijkt naar een zwart/wit foto van de botten in zijn arm en hand. En ziet een kapot stuk bot bij zijn pols.
Dat komt allemaal weer goed, zegt de dokter in zijn witte jas.
Heel voorzichtig wordt het bot weer netjes tegen de rest aangezet en nu moet er gips om heen, in de gipskamer.
In de gipskamer komt een mevrouw met een witte jas naar Tom toe. Zij zet een soort gips om de arm van Tom. En vraagt: ‘welke kleur wil je als we straks klaar zijn?’ Tom kijkt vreemd. Je kunt kiezen welke kleur je arm straks heeft. We hebben blauw, geel en oranje, zegt de vrouw met de witte jas aan.
Tom kiest voor een blauwe arm.
De mevrouw vraagt nog eens hoe Tom zijn pols gebroken heeft. En dan vertelt Tom over de voetbalwedstrijd. En plotseling vraagt hij aan zijn moeder hoe de voetbalwedstrijd nu verder ging zonder dat hij op de goal stond? ‘Erwin is zo lang keeper’, zegt zijn moeder.

Als ze terug komen in het dorp, rijdt de vader van Erwin direct door naar het voetbalveld. De wedstrijd is al lang afgelopen. Ze hebben gewonnen! Door die ene goal van Erwin, die eerst spits was en later keeper. De anderen zijn allemaal blijven wachten op Tom. Hun nieuwe keeper, die nog maar één keer mee gedaan had en nu al zijn pols gebroken heeft.

Tom is een held.
Als Tom, zijn moeder en de vader van Erwin binnen komen, gaat er een gejuich op. Ze slaan Tom op zijn schouder en zijn trots op hem.
Kees staat er een beetje droevig bij. Tom laat zijn blauwe arm zien. Pols kapot. In het gips. En dat na een halve wedstrijd als keeper.

De volgende maandag op school, willen alle kinderen hun naam op het gips van Tom zetten. Tom krijgt kaartjes en bewonderende blikken. Vooral van de meisjes.
En als hij thuis komt na schooltijd, is de post geweest.
En ligt er een kaartje van de trainer van de tegenpartij met de namen van alle jongens die in dat ander elftal zaten. Met ‘veel sterkte’ er bij.

En er is een apart kaartje van die grote jongen die hem nog eens schopte toen hij de bal al in zijn handen had. Daarop staat dat het hem spijt dat hij Tom pijn gedaan heeft. En ook zijn vader heeft zijn naam er bij gezet. De vader die weggestuurd werd door de scheidsrechter.

Zijn pols is kapot. En toch is Tom een beetje trots en gelukkig.


Like This Post ?

RSS Digg Twitter StumbleUpon Delicious Technorati

There are no comments yet, add one below.

Wat vind jij? Laat een reactie achter!


Naam (required)

Mail (Wordt niet gepubliceerd) (required)

Website

Reactie