Written By Peter van der Naald. On May 17. In Voorlezen
Tom verdwaald op vakantie.
Wat zou Tom nu graag met de poes praten! Maar dat kan niet. De poes is thuis. En Tom is op vakantie. Wat had hij zin in die vakantie. Ze gaan eigenlijk nooit op vakantie. En nu wel!
Maar nu is het even niet meer leuk. Daarom praat Tom in het vakantiehuisje tegen een vogel die in de boom zit naast het huisje waar ze logeren. Want hij heeft veel te vertellen. Heel veel, zelfs.
Met de trein.
Tom is met moeder en zus op een camping. Eerst heeft de buurvrouw Tom, moeder en zus naar de trein gebracht. De hele bagagebak van de auto lag vol. Twee tassen, twee rugzakken en nog een klein koffertje.
Toen waren ze op de trein gestapt. Terwijl het al bijna avond was en donker werd. Maar Tom had genoten. Ze hadden gegeten in de trein. Daar was een meneer geweest in een prachtig pak met rode knopen op een mooie jas. Hij had ‘jongeheer’ tegen Tom gezegd, en hun eten op het bord geschept. Dat deed thuis nooit iemand voor Tom. Ze hadden ook geslapen in de trein.
Palmbomen.
Toen ze wakker werden gemaakt waren ze in een ander land. Een warm land want er stonden vreemde planten en de mensen hadden allemaal korte broeken aan. Op het station stonden palmbomen, mooie struiken met prachtige bloemen, die Tom niet kende.
Het busje van de camping had hen opgehaald. De camping waar ze een huisje gehuurd hadden. Nou ja, gehuurd. Moeder had verteld dat het huisje van een meneer was waar ze schoon maakt en poetste. Omdat moeder extra hard gewerkt had toen het hele huis geverfd werd, mochten ze gratis en voor niks een week in het huisje logeren.
Een heel mooi huisje. Met tv en een dvd speler. Een mooi bordes waar ze ’s morgens konden eten en zo. Alles ging achter in de bus en na een klein stukje rijden waren ze op die camping. Het was ècht een mooi huisje! Op een mooie camping. Met zwembad.
Afkoelen.
Toen ze uitgepakt hadden, wilde Tom wel even afkoelen in het zwembad.
Maar daar moest je een badmuts op. Mooi van niet, dus! Tom deed geen badmuts op. Stel je voor. Een jongen met een badmuts op. Hij vond dat al die andere jongens voor gek liepen. Gelukkig konden ze hem toch niet verstaan toen hij het tegen ze zei.
Thom was geen meisje en zei direct dat hij liever niet in dat zwembad ging dan met een badmuts op lopen. Belachelijk! En ook die gekke kleine zwembroekjes leken nergens op. Hij had tenminste een mooie broek. Zijn broek leek op de broek bij het voetballen. Een gele met een blauw streepje. Met pijpen tot bijna aan de knieën.
Moeder wist wel iets. Vlakbij was een meer. Met een strandje. En daar mocht Tom wel heen, maar alleen met zijn zus. Het was vlak bij de camping.
In het meertje.
Tom had eerst in het meer gezwommen en geprobeerd met een paar jongens te praten. Maar hij kon er niks van verstaan en ze lachten om hem. Was het om zijn broek? Of zijn witte beentjes? Ze lachten nog eens en wezen weer naar hem. was het omdat hij er zo wit uit zag? De andere kinderen waren bruin of bijna zwart verbrand. Eén jongen was rood als een tomaat. Zijn haar, zijn vel en zijn hele hoofd. Dat leek pas vreemd! En Tom zag er bleek uit.
Wandelen.
Toen had Tom gewuifd naar zijn zus. Die zat te lachen naar de andere jongens. En ze had plezier. Maar ze zag Tom niet wuiven. Toen was Tom gaan wandelen. Langs het meer, door het bosje vlakbij en naar de winkeltjes een beetje verderop. Een ijsje zou best smaken. Maar als je geen geld meeneemt is dat niet gemakkelijk.
Hij had alleen gekeken. En gedacht aan thuis. Aan Cees, de andere kinderen die misschien ook wel op vakantie waren. Tom had dorst en honger. Hij rammelde en had een tong van leer, zoals zijn moeder altijd zei. Wat was het hier mooi. En warm!
Een feestje.
Verderop was bij het bos een feestje. Een hele familie zat er rond een barbecue. op een grasveldje met een kleine zandbak. Of was het een vijvertje? Tom wilde het weten en liep er heen. Hij kwam bij het meertje. Het was geen zandbak. Hij stond van een afstandje te kijken naar de kinderen en hun vaders en moeders bij de barbecue.
Eén van de kinderen bij de barbecue was de rood verbrandde jongen die in het meer gezwommen hadden. Hij wenkte Tom. Tom keek en zwaaide terug. Toen pakte de jongen een stuk vlees van de barbecue en kwam naar Tom toe lopen. Tom verstond er niets van toen de jongen wat zei, maar nam het stokje met vlees wel aan. En at het op.
Even later zat Tom bij de anderen en dronk cola en at stokjes vlees. Hij hoefde niet te praten want ze snapten hem toch niet. Alle kinderen lachen gelijk als ze plezier hebben. Tom vond het vlees lekker en had plezier.
Toen de anderen weg gingen, zwaaide Tom. Hij keek hoe de familie in een auto stapte en weg reed.
Hoe laat zou het zijn? Waar was zijn zus gebleven? Waar was eigenlijk het meertje gebleven? Was dat nu die kant op of die andere kant? Ineens was Tom alleen en voelde hij zich heel eenzaam. Het was stil en er was verder niemand meer.
Verdwaald.
Tom liep naar het meertje. Nou ja, dat was de bedoeling. Maar er was geen meertje. De verkeerde kant op gelopen? Hoorde hij daar zijn zus roepen? Tom was alleen en voelde zich ook helemaal alleen. In een vreemd land. Waar was moeder en de rest? Waar was het huisje op de camping?
Toen kwam de paniek. Eerst moest hij huilen. Tranen stroomden over zijn wangen. Toen kwam het rare gevoel in zijn buik. Het voelde alsof hij moest overgeven. En ja hoor. Al het eten en de cola kwamen naar boven. Tom spuugde alles in het gras en huilde nog harder.
Maar er was nog iets ergers. Hij keek naar zijn mooie broek en zag de donkere kringen in zijn broek. Nog meer tranen kwamen aan rollen en vielen voor hem op de grond.
Ondertussen werd het donker. In het donker voelde Tom zich nog meer alleen. Maar moeder zou hem toch wel zoeken? Bij het meertje? Waar hij was geweest?
In het donker is alles anders. Tom werd nog meer bang. Rare geluiden en rare schaduwen in de bomen. Hoe zou hij ooit weer bij moeder komen? Tom kroop onder een boom en huilde weer. Hij wist niet meer waar hij was en ook niet hoe hij op de camping moest komen. Hij wist niet eens hoe de camping genoemd werd. Hij kon het niemand vragen als hij iemand tegen zou komen. Nu zou hij waarschijnlijk dood gaan van de honger. Hier onder die boom. Die gekke boom met die rare bladeren. Zoals ze thuis niet hadden. Toen viel Tom in slaap.
Hij droomde van witte jongens die zwommen in een meer. Over een bus en een trein. Over een man die hem plotseling in het gezicht scheen en iets tegen hem zie. iets wat hij niet kon verstaan,maar gek genoeg was hij wel blij in zijn droom.
De man in het pak.
Toen werd Tom wakker. Er was inderdaad een meneer die hem met een lamp in het gezicht scheen. En hem wakker schudde. Hij vroeg iets. Maar Tom verstond het niet. Toen Tom goed keek, zag hij dat de man een mooi pak aan had. Een grijs pak met een pet. Een politieman?
Toen was Tom ineens klaar wakker! Hoorde hij daar moeder roepen?
Ja hoor, ineens waren daar moeder en zus.
Tom reed mee in het politiebusje. Naar de camping. En iedereen keek blij. Behalve Tom zelf.
De man in het pak had nog een reep in de politieauto liggen. Die kreeg Tom en ondertussen zei de man iets. En hij keek net alsof hij boos was. Maar Tom kon wel zien dat hij niet echt boos was, maar eigenlijk blij en opgelucht. Moeder ook.
Geen poes.
Tom is nu moe. Tom wil naar bed. In het huisje heeft hij een eigen kamertje. Maar zonder poes. Dus vertelt Tom wat er gebeurd is tegen die vogel die in de boom zit. De boom naast het raam van zijn kamertje. Of was het zo net nog een andere vogel? Of droomt Tom alweer?
Als Tom weer wakker wordt, zit de politieman bij moeder op het bordes van het huis. Moeder kan de man verstaan en vertelt dat de politieman nog even kwam vragen hoe het met Tom was. En hij kan nu zijn naam zeggen! Hij zegt Toom. Wat bijna goed klinkt. Maar voor Tom klinkt het als muziek.
Tom moet beloven dat hij nooit meer alleen op verkenning gaat en verdwaalt. De politieman knikt als Tom het zegt. Tom spreekt Nederlands maar het is net alsof de politieman het begrijpt.
Tom wil gaan nu zwemmen. Maar nu wel in het zwembad van de camping. Maar moeder en zus moeten eerst iets beloven aan Tom. Als ze thuis komen mogen ze niet vertellen dat Tom een badmuts op heeft gehad. Want badmutsen zijn voor meisjes.












There are no comments yet, add one below.